Hij liep met grote passen voor hem uit. De panden van zijn regenjas veroorzaakten cirkelvormig een ruimte om hem heen. Hij moest de trein halen, samen met zijn grijze buurman. Deze liep zo’n twintig meter achter hem, steunend op een looprek; stapje voor stapje. Ook hij leek haast te hebben maar kon niet anders gaan dan met aandacht voor elke pas en een rustmoment na iedere vijf. Hij kwam goed vooruit.
Op de hoek bij de ingang van het stationsgebouw besloot de jongere te wachten. Hij wilde niet uit het zicht van zijn metgezel verdwijnen. Het had bovendien geen zin naar de trein te rennen als de man die hij begeleidde nog geen begin had gemaakt aan een binnengaan van het station.
Hier wrong het een beetje. De afstand tussen de beide heren was te groot om woorden over te gooien. Die middag hadden zij een fijn gesprek gehad over de zin van ledematen. Had je ze nodig wanneer je weet dat gedachten geen ander voertuig behoeven dan de grijze massa onder je schedeldak? Was robotica niet al in een dusdanig vergevorderd stadium dat de techniek zichzelf kon onderwijzen? Hoeveel handelingen kon je inmiddels aan deze creaturen overlaten?
De gesprekken gingen nog door zijn hoofd. Het beperkte de afstand tussen beiden. De jonge, die toch al de leeftijd van vijftig was gepasseerd, liet in het verlengde van zijn resumé nog vele gedachten de loop. Over die trein bijvoorbeeld, en nog veel meer. Hij beschreef zichzelf de gang door het stationsgebouw, over het perron. Het kon alles bijelkaar nog wel even duren. Had hij zoveel geduld? Het gestrompel van de oude ziende, vergeleek hij dit fragiele gaan met de brute passen die hijzelf kon zetten. Hij overwoog wat hem dat zonder technische hulpmiddelen had gebracht. Er zat vaart in zijn leven. Hij had overal aan kunnen snuffelen, voelde zich vrij om te doen waar hij zin in had en had altijd een goed gevulde agenda. Hij kwam tot zijn recht, vond hij; en ook: velen hadden bij hem het nakijken. Eigenlijk, zo besloot hij, liep hij altijd voorop, met zijn rug naar de rest. Eigenlijk, zo bedacht hij, was hij uitgegroeid tot een alleengaande vent; met kapitaal... dat ook. En dus, zo vond hij plots, moest daar maar eens iets aan worden gedaan; met een technische oplossing. Voor de vaart moest hij een volgende wilde pas zetten.
De oude kwam binnen gehoorafstand. Stapje voor stapje naderde deze de toegang tot de reis. Toen hij de de ruimte tussen hen klein genoeg vond, draaide zijn begeleider zich, om opnieuw voorwaarts te gaan. Daarna hield hij zijn pas in en draaide terug. De cirkelende jas trok hij snel recht. Hij wilde nu niet al te flamboyant zijn en zijn metgezel dichter naderen. Het aantal meters tussen hem en de kreupele was nauwelijks meer dan een armlengte. Hij keek de oude wijfelend aan. Overwoog hij daar een vraag? Welnee. Hij wist hoe hij het gras kort moest houden. Zijn suggestie lag al voor de voeten van zijn buurman: ‘Zeg, weet jij of die Barbara nog getrouwd is?’
© 2010 ZiggZagg
Laatste reacties